Beter een freule dan een visser !
"Het beste was niet goed genoeg
en de 'betere' burgers wilden daar graag voor betalen."
Amsterdam had zijn Gouden Eeuw, Antwerpen was de belangrijkste stad van de wereld in de 16de eeuw en... Oostende kende zijn gloriejaren rond 1900. De periode tussen 1870 en 1914 werd in Europa de Belle Époque genoemd, het 'mooie tijdperk', jaren waarin de cultuur bloeide, de technologie verbaasde, de economie het uitstekend deed en er een klasse van welvarende burgers ontstond. Een deel van hen vond luxevertier in nieuwbakken badplaatsen zoals Oostende.
Een geslaagd verdienmodel
Nadat de Napoleontische vestingstad zich van haar bastions en grachten ontdaan had, werden er imposante hotels opgetrokken in barokke en classicistische stijl. Achter de Griekse zuilen en de façadetorens heerste de 'chef de cuisine' over zijn topmenu's en haalde de 'sommelier' zijn gerenommeerde wijnen uit de kelder. Buitenlandse arbeidskrachten, van de Afrikaanse liftboy tot de Duits sprekende receptionist, kwamen het toeristische bedrijf in het 'saison des bains' ondersteunen. De voertaal van de Europese elite was Frans. De heren namen dus, bij wijze van begroeting, hun 'châpeau de paille' van het hoofd. De dames gingen, als het protocol er om vroeg, even door de knie voor een 'révérence'. Er waren bovendien vier Franstalige kranten in de stad.
Terwijl de beste kunstenaars met brochures en grote affiches voor de marketing zorgden, namen politici en de residerende koning initiatieven om de stad nog aantrekkelijker te maken: een station dat aansloot op het Europese spoorwegnetwerk, een bijna 24/7 entertainmentpaleis met oogverblindende interieurs dat het Kursaal heette (genoemd naar het Duitse Kurhaus), een elektrische tramlijn, een bootverbinding met Dover, een hospitaal en een overdekte wandelgalerij van 366m die naar de Wellington-renbaan leidde. Naast de jonkers en freules, textielbaronnen, industriebazen en bankiers, maakten de hoogste gasten maar al te graag hun opwachting: de Sjah van Perzië, koningin Victoria van Engeland, de Italiaanse tenor Caruso, de auteur Stefan Zweig, de componisten Charles Gounod, Johan Strauss, Pjotr Tsjaikovski enz. De meesten waren toehoorders tijdens de matinees of galaconcerten, anderen zongen of dirigeerden.
Klassenmaatschappij
Investeerders en uitbaters deden dus uitstekende zaken. Maar graaide de Oostendse bevolking ook haar deel mee? Helaas niet. In de 19de eeuw was de scheidingslijn tussen arm en rijk genadeloos! De vissers verdienden het zout op hun aardappelen niet en stierven jong aan TBC of tijdens een storm op zee. In de volksbuurten was er geen sociaal vangnet. "Het begrip 'upstairs downstairs' kon je letterlijk ruiken", schrijft Kurt Van Eeghem. Het verbaast dus ook niet dat er in 1887 een vissersopstand uitbrak die in bloed gesmoord werd. Toch mochten de paupers rekenen op een man van standing: de schilder James Ensor. Hij uitte zijn verontwaardiging in de prent die hij 'De gendarmes' noemde. In de rechter benedenhoek zie je dat een ordehandhaver het bloed van zijn bajonet veegt.
Het einde van een sprookje
Met dit boek heeft Kurt Van Eeghem een rijk gestoffeerd, meeslepend en geëngageerd portret van teloorgegane stadsgrandeur getekend! Zijn zwierige taal en stijl sluiten perfect aan bij de elegante bewegingen op de dansvloeren van de Belle Époque-hotels of de 'salle des ambassadeurs' in het Kursaal. Maar elke polka heeft een laatste noot. Aan het 'saison des bains' van 1914 kwam bruusk een einde. Stefan Zweig nam in alle haast de laatste trein naar Wenen. In het feestpaleis pakten het orkest en de sopraan hun koffers. De hoogtijdagen van 'la reine des plages', de koningin van de badsteden aan de Noordzee, waren voorbij! ★★★★1/2